donderdag 20 juli 2017

Wanneer liberalisering en begrotingsdiscipline de rechtsstaat ondermijnen

Kort na haar verkiezing tot Brits premier verklaarde Margaret Thatcher dat “haar beleid niet gebaseerd is op economische theorieën, maar op principes”.

Laurent Hanseeuw is econoom, ondernemer en lid van de Vrijdaggroep. Eveneens verschenen op knack.be op 21 juli 2017.

samuel-zeller-237227-(1).jpg Kort na haar verkiezing tot Brits premier verklaarde Margaret Thatcher dat “haar beleid niet gebaseerd is op economische theorieën, maar op principes”. Toch luidde ze het begin van een periode van grote economische veranderingen in, die gekenmerkt werden door de liberalisering van verschillende economische sectoren en het terugdringen van de rol van de overheid in de economie. Die evoluties bleven uiteraard niet beperkt tot Groot-Brittannië en zetten zich door in de hele Westerse wereld.

Hoewel heel wat economen het erover eens zijn dat tal van hervormingen die de voorbije dertig jaar werden doorgevoerd de economie ten goede zijn gekomen, weerklinkt de kritiek dat daarmee ook de economische ongelijkheid is toegenomen steeds luider. Een even belangrijke evolutie voltrok zich echter ook met betrekking tot de rechtsstaat, die in heel wat opzichten werd uitgehold. Om dit beter te begrijpen, overlopen we kort de belangrijkste domeinen waarin de afgelopen dertig jaar economische hervormingen werden doorgevoerd: marktliberalisering en begrotingsdiscipline.

De filosofie die aan de basis ligt van marktliberalisering is gebaseerd op het vrijwaren van concurrentie, hetgeen – idealiter – voor de consument en de samenleving economische meerwaarde oplevert doormiddel van lagere prijzen en betere kwaliteit. Het openen van de markt betekende onder andere de openstelling van de internationale handel en de ontmanteling van overheidsmonopolies in de zogenaamde netwerkindustrieën (energie, telecommunicatie, transport, enz.). En inderdaad, niemand kijkt nostalgische terug op het tijdperk van de Regie voor Telegraaf en Telefoon die vervangen werd door moderne bedrijven als Proximus, Base en Orange. Toch waren heel wat van die (semi-)overheidsmonopolies niet helemaal het gevolg van toeval. Een groot deel van die sectoren zijn vandaag in handen van spelers die nog steeds heel wat macht hebben op de (financiële) markt en die gebruiken om hun winst te maximaliseren, ook wanneer het om overheidsbedrijven gaat. De economische inefficiëntie van de monopolies van weleer streefden daarnaast een filosofie van openbare dienstverlening na, waarbij het gebrek aan financieel belang net machtsmisbruik tegenging. Nu alle spelers, van de Britse spoorwegen tot de Belgische intercommunales, zich in een competitieve omgeving moeten zien te redden, hebben ze er alle belang bij om de macht die hen werd toegekend optimaal te benutten, hetgeen tot misbruik kan leiden. Hun macht is weliswaar beperkter dan in tijd van de monopolies, maar wordt nu wel optimaal ingezet om de winst te kunnen maximaliseren. Kortom, de verminderde macht van monopolisten heeft niet per se geleid tot verminderd machtsmisbruik.

Dat verschijnsel zou nog enigszins gunstig kunnen zijn als het tot die enkele spelers beperkt bleef. De tendens om de burger als een bron van inkomsten te beschouwen, breidde zich echter uit naar tal van overheidsinstellingen, die nauw verbonden is met de tweede grote hervormingstendens: begrotingsdiscipline. De alsmaar toenemende aandacht voor het begrotingsevenwicht – op zich een lovenswaardige doelstelling – heeft de neutraliteit van de staat ten opzichte van de burger aangetast: van het systematisch opleggen van administratieve boetes (de burger wordt bestraft zonder inmenging van het gerecht) tot de tarifering van de overheidsdiensten. Kijk bijvoorbeeld naar de prijs van een identiteitskaart. Die is in tien jaar tijd verviervoudigd terwijl niemand zonder kan. In een gezond politiek klimaat was een open debat over het evenwicht tussen belastingverhoging en kostenverlaging wenselijk geweest. Jammer genoeg werd dat debat in grote mate vermeden ten voordele van een vaak roofzuchtige staat, die begrotingstekorten probeert op te vullen met obscure ad hoc inkomsten.

De juridische macht kan de roofzuchtige neigingen van de verschillende uitvoerende organen slechts moeilijk in toom houden, onder meer door de reeds vermelde budgettaire beperkingen. Beroep aantekenen tegen een foutieve belasting bijvoorbeeld sleept jarenlang aan, terwijl de uitvoerende macht, van gemeente tot federaal niveau, geen enkele juridische beslissing nodig heeft om ze de bevolking afhandig te maken. Burgers verkiezen vaak mokkend een prijsverhoging te betalen dan verwikkeld te worden in een complexe en dure procedure bij de Raad van State.

De gewone burger zal altijd enigszins machteloos staan tegenover een ontzagwekkende uitvoerende macht. Net daarom zijn onze democratieën gebouwd op een sterke wetgevende en rechterlijke macht, als tegengewicht tegen de uitvoerende. Economische efficiëntie en budgettaire duurzaamheid zijn waardevolle streefdoelen, maar de principes die de basis van onze rechtsstaat vormen zijn nog belangrijker. Het kan geen kwaad dit in tijden van begrotingsconclaven en budgetonderhandelingen toch even ter herinnering te brengen.